Ik had inmiddels al twee jaar kniepijn. Niet iedere dag even erg, maar ik hield er elke dag rekening mee.
Die ochtend was ik al drie keer langs de wasmand gelopen. Hij moest naar boven, maar mijn knie zeurde al sinds het opstaan. Met één hand aan de leuning trok ik mezelf normaal al omhoog. Hoe moest dat met een volle wasmand erbij?
Dus bleef hij staan. En daar baalde ik van. Het was gewoon de was. Dat moest ik toch zelf kunnen?
Na het ontbijt bleef ik nog even zitten. Maar toen ik opstond, voelde mijn knie stijf. Ik duwde mezelf met beide handen uit de stoel en zette voorzichtig mijn voet neer. Zodra ik erop leunde, trok er een zeurende pijn door mijn knie. De eerste meters naar het aanrecht liep ik met kleine pasjes, een beetje mank, tot het wat soepeler ging.
Ook wandelen was niet meer vanzelfsprekend. Als ik met mijn man meeging, begon mijn knie onderweg steeds meer te zeuren. Ik liep langzamer en hij moest zich aan mijn tempo aanpassen.
“Loop jij maar verder, ik ga alvast terug,” zei ik dan.
Daar liep ik weer, alleen naar huis. Terwijl ik gewoon samen dat rondje af had willen maken.
Steeds vaker bleef ik daarom maar thuis. Maar als mijn man later vertelde wie hij onderweg was tegengekomen, dacht ik: daar had ik bij willen zijn.
Ik wilde mijn eigen huishouden blijven doen. Mee wandelen. Een middagje naar het dorp zonder eerst te bedenken waar ik onderweg kon zitten.
In plaats daarvan vroeg ik steeds vaker: “Wil jij dat even voor me doen?”
Mijn man hielp zonder klagen. Maar ik wilde het zelf kunnen.